Je ziet ze weleens liggen in de winkel: prentenboeken waarbij je denkt dat het vast ontzettend ingewikkeld is om zoiets te maken. Tot je ineens een idee krijgt dat precies past bij jouw kind, je klas of dat ene grappige moment van vorige week. Dan begint het te kriebelen. En terecht, want zelf een prentenboek maken kan gewoon aan de keukentafel. Met papier, een potlood en een beetje zin om te prutsen kom je al een heel eind.
In dit artikel lees je hoe je van een los idee naar een echt boekje gaat. Niet met strenge regels, wel met praktische stappen die je helpen om het af te krijgen.
Waarom zelf een prentenboek maken zo’n fijn project is
Een prentenboek is een heerlijke mix van schrijven, tekenen en knutselen. Je maakt iets tastbaars, iets wat je kunt vasthouden en voorlezen. Dat geeft meteen een ander soort voldoening dan een los vel papier of een tekening die in een la verdwijnt.
Het leukste is misschien nog wel dat het persoonlijk mag zijn. Een prentenboek hoeft niet perfect te zijn. Sterker nog: kinderen zijn vaak juist dol op de eigenwijze stijl van “iemand die ze kennen”. Een scheve kat of een veel te grote maan is voor hen geen fout, maar herkenbaar en grappig.
Daarnaast is een zelfgemaakt prentenboek een cadeau waar mensen echt even stil van worden. Voor een verjaardag, een geboorte, een afscheid op school, of gewoon omdat je iemand wilt verrassen met iets dat niemand anders heeft.
Voor wie maak je het prentenboek?
Voordat je begint, helpt het om één ding scherp te hebben: wie wordt de lezer? Een prentenboek voor een peuter leest heel anders dan een prentenboek voor een kind dat al bijna zelf kan lezen.
Voor jonge kinderen werkt het het best als je verhaal duidelijk is en veel herhaling heeft. Ze vinden het prettig als ze al weten wat er komt. Oudere kinderen kunnen meer plot aan en waarderen grapjes, kleine twists en details in de illustraties.
Handige richtlijnen om op terug te vallen:
Voor 2 tot 4 jaar werkt één korte zin per pagina vaak prima, met veel herhaling en herkenbare situaties. Voor 4 tot 6 jaar kun je een kleine spanningsboog toevoegen en iets meer tekst kwijt. Vanaf 6 jaar mag het uitgebreider, al blijft beeld het belangrijkste onderdeel.
Twijfel je? Lees je tekst hardop alsof je hem echt voorleest. Dan voel je meteen of het te lang wordt.
Hoe bedenk je een goed idee voor een prentenboek?
Je hoeft echt geen groots avontuur te verzinnen. Veel sterke prentenboeken gaan juist over iets kleins dat groot voelt in het hoofd van een kind. Een zoekgeraakte knuffel. Een eerste keer logeren. Een dier dat iets wil, maar het lukt steeds net niet.
Ideeën die vaak verrassend goed werken:
Een personage dat een simpele wens heeft en steeds tegen kleine obstakels aanloopt. Een herkenbare “eerste keer” zoals zwemles of naar de tandarts. Een voorwerp dat kwijt is en weer naar huis wil. Een grap die uit de hand loopt en steeds groter wordt.
Een fijne oefening is om jezelf vijf minuten te geven en tien mini ideeën op te schrijven. Geen oordeel, gewoon door. Daarna kies je er één die je meteen al voor je ziet, inclusief plaatjes.
Hoe bouw je een prentenboekverhaal op?
Het geheim van een lekker prentenboek zit niet in ingewikkeld schrijven, maar in duidelijkheid. Je lezer moet in één oogopslag snappen wie de hoofdpersoon is en wat er aan de hand is.
Een eenvoudige structuur helpt enorm:
Je introduceert je hoofdpersoon en de situatie. Daarna komt er een probleem of een wens. Vervolgens doet je hoofdpersoon een paar pogingen om het op te lossen. Drie pogingen is een fijne hoeveelheid, omdat het ritme geeft. Dan komt de oplossing, of een onverwachte wending waardoor het probleem anders wordt dan gedacht. Tot slot eindig je warm, grappig of geruststellend.
Maak het jezelf makkelijk door in scènes te denken. Elke scène is één spread, dus twee pagina’s naast elkaar.
Hoeveel tekst zet je op een pagina?
Een prentenboek leest anders dan een verhaalboek. Beeld draagt het verhaal, tekst wijst de lezer de goede kant op. Te veel tekst haalt de vaart eruit, vooral bij jonge kinderen.
Een praktische richtlijn is één tot twee zinnen per spread voor peuters en kleuters. Voor iets oudere kinderen kun je naar drie of vier korte zinnen, zolang het lekker blijft lopen.
Een truc die bijna altijd werkt: lees het hardop. Struikel je over je eigen zin, dan is hij te lang. Klinkt hij alsof je hem zo tegen een kind zou zeggen, dan zit je goed.
Illustreren zonder stress, ook als tekenen niet je hobby is
Veel mensen lopen vast op het idee dat je “mooi” moet kunnen tekenen. Dat hoeft echt niet. Kinderen kijken anders. Ze willen emotie, actie en herkenning. Een personage met twee stippen als ogen kan al genoeg zijn, zolang je duidelijk laat zien wat er gebeurt.
Je kunt het jezelf ook makkelijker maken door een techniek te kiezen die bij je past. Tekenen met een zwarte fineliner en daarna inkleuren met potlood of stift werkt bijna altijd. Collage is ook ideaal: knippen uit gekleurd papier en plakken geeft meteen een speels effect. Stempels zijn fijn voor dingen die vaak terugkomen, zoals sterren, bladeren of wolkjes. Foto’s kunnen ook, bijvoorbeeld voor achtergronden, die je combineert met tekeningen erbovenop.
Wat je ook kiest, een beperkt kleurenpalet maakt je boek meteen rustiger. Drie tot vijf kleuren is vaak al genoeg om alles bij elkaar te laten horen.
Welke materialen heb je nodig?
Je kunt het simpel houden. Met een stapel A4’tjes en wat stiften kom je al heel ver. Steviger papier is wel fijn, zeker als je met verf of veel lijm werkt.
Dit is een praktische basis:
Papier of tekenpapier, potlood en gum, een zwarte stift of fineliner, kleurpotloden stiften of verf, schaar en lijm als je collage wilt gebruiken, en iets om te binden zoals nietjes, draad of boekringen.
Extra handig, maar niet verplicht: washi tape voor randjes, kalkpapier om een schets over te trekken en een witte gelpen voor kleine highlights.
Hoe deel je je pagina’s slim in?
Een prentenboek werkt het best als tekst en beeld samenwerken. De tekst hoeft niet te beschrijven wat je al ziet. Het is juist leuk als de illustratie een extra grapje of detail toevoegt.
Begin met een storyboard. Dat is een simpel overzicht met mini vakjes waarin je per spread noteert wat er gebeurt en hoeveel tekst je ongeveer nodig hebt. Twaalf tot zestien spreads is een fijne lengte voor een zelfgemaakt prentenboek, maar korter kan ook prima.
Let op afwisseling. Zet niet alleen maar totaalplaatjes achter elkaar. Wissel een grote scène af met een close up. Maak sommige pagina’s rustig en laat andere juist wat drukker zijn. En durf ook een pagina bijna leeg te laten. Dat geeft ademruimte en maakt het voorlezen prettiger.
Houd ook rekening met de vouw in het midden van het boek. Belangrijke details wil je liever niet precies in de rug laten verdwijnen.
Hoe bind je je prentenboek?
Als je pagina’s af zijn, wil je er natuurlijk echt een boek van maken. Gelukkig kan dat op meerdere makkelijke manieren.
Nietjes in de rug is de snelste optie. Je vouwt je pagina’s dubbel, legt ze netjes in elkaar en niet ze in het midden. Dit werkt vooral goed bij dunne boekjes.
Boekringen of een ringband zijn ideaal als je later nog iets wilt vervangen. Je maakt gaatjes langs de zijkant en klaar. Het voelt ook meteen stevig aan.
Naaien met draad is iets meer werk, maar ziet er prachtig uit. Met een paar gaatjes in de rug en een simpele steek krijg je dat echte boekgevoel.
Maak je cover iets steviger door dik papier te gebruiken of je omslag op karton te plakken.
Hoe maak je het extra persoonlijk als cadeau?
Een zelfgemaakt prentenboek wordt pas echt speciaal als het over de ontvanger gaat. Je hoeft het niet te overdrijven. Een paar details zijn al genoeg.
Gebruik de naam van het kind in het verhaal. Stop het favoriete knuffeldier in de illustraties als bijpersonage. Teken herkenbare plekken zoals het park, de opvang of de woonkamer. Schrijf voorin een korte opdracht, gewoon in je eigen woorden.
Een leuke toevoeging is een mini making of achterin, met een foto van je schetsen of een pagina met mislukte probeersels. Dat soort dingen wordt vaak bewaard.
Veelgemaakte valkuilen en hoe je ze voorkomt
De grootste valkuil is te veel tekst. Houd het luchtig en laat je tekeningen het werk doen. Een tweede valkuil is een stijl die steeds wisselt. Als je elke pagina een andere techniek kiest, wordt het rommelig. Kies liever één aanpak en blijf daarbij.
Sla ook het proeflezen niet over. Laat iemand anders het een keer hardop voorlezen. Dan hoor je meteen waar het hapert.
En misschien wel de belangrijkste: begin niet meteen aan je mooiste versie. Maak eerst een eenvoudige opzet met je storyboard en een ruwe schets. Daarna ga je pas netjes uitwerken. Dat haalt de druk eraf en je komt veel makkelijker tot een af boek.
Gewoon beginnen, daar ontstaat de rest uit
Wacht niet op het perfecte moment of de perfecte materialen. Pak een stapel papier, maak een storyboard van acht spreads en zet je eerste scènes neer. Zodra er iets op papier staat, wordt het project ineens echt. En dat werkt motiverend.
Als je prentenboek af is, leg het op de bank en ga voorlezen. Dat is uiteindelijk waar je het voor maakt. En grote kans dat je daarna meteen nog eentje wilt maken.


Leave a Reply